"'t
Is hier ten slotte toch maar een schouwburg." Willem Elsschot
op het literaire toneel
Willem Elsschot, begin jaren dertig"Het leven
zelf bezorgt mij het onderwerp, maar de kunst is het gieten in een
klassieken vorm […]. De kwaliteit van de geut, daar gaat het
om," verklaarde ooit Willem Elsschot. Gewild of ongewild heeft
hij met deze en andere vaak geciteerde uitspraken zijn reputatie een
aardig handje geholpen. De "grootste schrijver sinds Multatuli"
(Karel van het Reve) wordt alom geprezen om zijn stijl, die uitblinkt
door doeltreffende eenvoud en natuurlijke soberheid. Elsschot staat
bekend als de auteur van een klein, maar fijngeslepen oeuvre. Steevast ook
benadrukte de schrijver dat die schijnbare eenvoud niet vanzelf uit
zijn pen was gevloeid. Schrijven noemde hij "galeienwerk":
"Als ik het geschreven heb, begint het pas goed. Dan ga ik
schrappen en bijvoegen; vooral schrappen. Zo veel tot ik op een
gegeven moment tegen mezelf zeg: nu moet je ophouden anders blijft er
helemaal niets meer over. Ik schrijf met de hand en na al dat
schrappen en bijvoegen ga ik het tikken. En dan begint het gedonder
opnieuw: weer schrappen, weer bijvoegen." Volgens Elsschot kon
een veeleisend schrijver – "dát vooral is nodig"
– zijn tekst "nooit voldoende zuiveren, snoeien,
louteren", want: "Van twee nuances is er maar één
de juiste, en als ze alle twee juist zijn, is er maar één
de mooiste. Die moet men kiezen. Gewoonlijk is het de kortste."1 De talrijke
uitspraken in interviews en brieven hebben het beeld van Elsschot als
een "gecondenseerd stilist" niet alleen bepaald. Ook in
het werk zelf is "stijl" voortdurend onderwerp van
discussie, of het nou gaat om de analyse van de tekst van een
uithangbord (Villa des Roses), het opstellen van advertenties
en studies voor het "Algemeen Wereldtijdschrift"
(Lijmen), het kiezen van een geschikte firmanaam (Kaas)
of om het vinden van de juiste toon in een toespraak voor
slechthorende generaals van een militair beroepshof (Pensioen).
En in bijna iedere roman worden brieven geschreven, én
geanalyseerd. Daarnaast heeft Elsschot zich in een drietal teksten
expliciet over stijl uitgesproken, en ook deze worden met grote
regelmaat en instemming aangehaald als het over zijn eigen
schrijverschap gaat. Zoals de bekende "Inleiding" tot
Kaas (1933): "Wie het slot niet uit het oog verliest zal
van zelf alle langdradigheid vermijden omdat hij zich telkens
afvragen zal of ieder van zijn details wel bijdraagt tot het bereiken
van zijn doel. En hij komt dan spoedig tot de ontdekking dat iedere
bladzijde, iedere zin, ieder woord, iedere punt, iedere komma het
doel nader brengt of op afstand houdt." Hetzelfde geldt voor de
"Opdracht" en "Achter de Schermen", twee
sleutelteksten die Elsschots andere grote roman uit 1933 omsluiten:
Tsjip. Daarin worden achtereenvolgens het schrijven (en de
rechtvaardiging daarvan) en het schrijfproces gethematiseerd. Althans
ogenschijnlijk.
"Véél
hooger dan de leeuwerik"
Het interieur van Elsschots huis, Lemméstraat 21 te AntwerpenElsschots fascinatie
voor stijl manifesteert zich met name als hij in 1933, na een impasse
van bijna tien jaar, op aandrang van Jan Greshoff zijn pen weer
oppakt en Kaas schrijft. Kort erna ontstaat Tsjip. Bij
het schrijven van beide boeken speelt de vorm een dominante rol, zo
blijkt overvloedig uit de brieven die Elsschot in de periode van
ontstaan aan zijn literaire vrienden stuurt. Zo krijgt Greshoff te
horen dat hij niet teveel belang moet hechten aan de
handelstransactie in Kaas: "Het dramatische van de
dingen zit immers niet in wat er gebeurt maar in den indruk die het
gebeurde op den toeschouwer maakt. [...] Het komt er voor een
schrijver slechts op aan zijn persoonlijk tragisch gevoel (om het
even waar het om gaat) zoo in woorden te brengen dat het kan overgaan
in de ziel van derden, althans van derden die er bevattelijk voor
zijn."2
En over Tsjip schrijft hij aan Menno ter Braak: "Mijn
bedoeling is geweest een zeer alledaagsche, zoo terre à terre
mogelijke gebeurtenis door intensiteit lezenswaard te maken. Met
andere woorden, van niets iets te maken. Zonder inhoud een
boek te schrijven."3
Natuurlijk was er wel degelijk een inhoudelijke inspiratiebron
geweest: de geboorte van Elsschots eerste kleinkind Jan Maniewski,
die in de correspondentie door zijn vertederde grootvader wordt
aangeduid als "die kleine smeerlap van een kleinzoon" of
"dat kind dat hier rondloopt". Maar ten diepste was die
inhoud voor de schrijver Elsschot toch van ondergeschikt
belang: "Of iets een eenvoudige familiehistorie is dan wel een
bezoek aan de Hel, maakt op mij niet den minsten indruk."4
Blijkbaar was Elsschot er niet helemaal gerust op dat zijn bedoeling
overal even goed zou worden begrepen, want niet lang na deze brief
(hooguit een maand) stuurde hij Greshoff de tekst van een "korte
inleiding [die] Tsjip bevattelijker zal maken voor den middelmatigen
lezer".5
In deze "Inleiding" (later omgedoopt tot "Opdracht")
vergelijkt hij het schrijven met reizen. Zodra hij pen op papier zet,
is hij voor onbepaalde tijd vertrokken en wanneer hij weer thuiskomt
is hij verwonderd over de vanzelfsprekendheid waarmee zijn vrouw en
kinderen hem ontvangen. Beschaamd en diep gegriefd komt hij tot het
besef dat aan het "dolen" een eind moet komen en dat hij
zijn plicht moet doen "als een doodgewoon mannetje dat ik
tenslotte ben". "Ik heb dus mijn taak als razend
aangepakt, mijn ridderorde weer opgestoken en mijn zaken gedreven als
een die nooit dat land heeft bereisd." Het plichtsbesef wordt
echter ruw verstoord als op een heilloze dag "dat mormel van
een kleinzoon" zijn intrede doet. "Toen heb ik mezelf
betrapt bij 't sluipen naar den zolder waar ik mijn staf heb
opgezocht in stof en spinrag. […] Ik heb eerst met de keel een
toonladder geschraapt en dan met zijn kraaien ingestemd. En mijn
beenen jeuken. Kom, jongen, vooruit is de weg. Mogen vrouw en kinderen
mij vergeven dat ik hen een laatste maal verloochen voor die
vermaledijde heerlijkheid waar een gouden vogel jubelt, véél
hooger dan de leeuwerik."
"Een hoopje
vuil in de feestzaal"
Het verhaal uit de
"Opdracht" biedt de mogelijkheid om "gindsche land"
óók te lezen als het literaire landschap waarin een
schrijver zich begeeft. Het bereizen van dit paradijs is een tocht
zonder vooraf te bepalen einddoel (er is sprake van "trekken",
"dolen" en "dwalen"), maar de verwachtingen
zijn hooggespannen. Evenwel, "ginder ver" is geen plaats
voor "kerels met een schorre stem, die weten hoe 't in 't
leven gaat": "Ook dáár voelt zoo een zich
ten slotte verlaten. Ook dáár is men eindelijk nog
slechts een vieze vlek in een onbezoedeld landschap, een hoopje vuil
in de feestzaal." Het allegorische verhaal lijkt perfect van
toepassing op Elsschots positie in de literaire "feestzaal"
van de jaren dertig, met name in de kring rond Forum. Met Kaas
en Verzen van Vroeger was hij het tijdschrift binnengehaald
als auteur "voor wie Forum gemaakt leek",6
maar die reputatie was niet bepaald onwankelbaar. Met name Tsjip
zou "een vieze vlek in een onbezoedeld landschap" blijken
te zijn.
Het begon met een vervelend misverstand over de publicatie van het
verhaal. Elsschot had namelijk niet alleen Greshoff op de hoogte
gesteld van zijn jongste creatie, maar ook de Forum-redacteuren
Menno ter Braak en Marnix Gijsen.7
De laatste hapte onmiddellijk toe en kreeg van Elsschot de toezegging
dat hij Tsjip aan Forum zou afstaan. Elsschot deed dat
in de veronderstelling dat Greshoff het daarmee eens was, en niet
wetende dat deze inmiddels redacteur van Groot Nederland was
geworden en zich op zijn zachtst gezegd gepasseerd voelde. Elsschot
vond dat hem niets verweten kon worden: "je had mij best iets
kunnen mededeelen over al dat onlekkers. Door jou verdomde schuld zit
ik tusschen de scherven." Persoonlijk kon het hem "absoluut
niet schelen waar het verschijnt", maar hij kon zich
"onmogelijk terugtrekken. Maar 't volgende boek is voor
Gr. Ned. of beter gezegd voor het tijdschrift van uw keuze (ik dacht
dat FORUM dat was)." De 'oude' Forum-redactie ten huize van Jan Greshoff, v.l.n.r. Everard Bouws, Maurice Roelants, J. Greshoff, E. du Perron en Menno ter Braak
Elsschots onwetendheid van de literaire verhoudingen spreekt in deze
en andere brieven boekdelen: hij was niet op de hoogte van het
getouwtrek tussen beide tijdschriften over een mogelijke fusie (ook
niet van Greshoffs frustratie toen dat mislukte), noch van de
redactiesplitsing bij Forum in een Nederlands en Vlaams deel
die daarop volgde, en ook kon hij bij de verschillende namen niet de
juiste gezichten en hoedanigheden plaatsen. Zo had hij met Maurice
Roelants tijdens een zomervakantie in Sint Idesbald al eens
uitgebreid kennisgemaakt, om er later achter te komen "dat gij
de Roelants van Forum waart".8
In zijn brieven valt Elsschot dan ook regelmatig van de ene in de
andere verbazing. Ronduit verbijsterd
is hij als het Vlaamse deel van de Forum-redactie Tsjip
afwijst op grond van twee hoofdstukken, die hij op aanraden van
Greshoff juist aan Tsjip had toegevoegd om het verhaal een
"philosophische tint" te geven. Eén van de
gewraakte passages is de scène waarin Laarmans zijn dochter
snel even het concept van de heilige drievuldigheid uitlegt, zodat ze
via een spoedprocedure gedoopt kan worden en met de katholieke Pool
Bennek voor de kerk kan trouwen. Nadat Marnix Gijsen de publicatie
van Tsjip uit naam van zijn mederedacteuren had bevestigd,
maakte Elsschot een aantal slapende honden wakker met de mededeling
dat hij "gevreesd had dat het boek minder in den smaak zou
vallen van een redactieraad met een Katholieke overtuiging".9
Gijsen verklaarde per omgaande dat hij inderdaad ("Nu gij dit
punt aanraakt") bezwaar had tegen de betreffende passages: "Zou
het U veel kosten dit te schrappen?" Deze brief zou het begin
zijn van een hardnekkige strijd, waarbij Elsschot op een gegeven
moment zelfs de "elegante oplossing" aandroeg om Tsjip
alsnog aan Groot Nederland af te staan. Ook heeft hij nog even
overwogen om de "aardige, lieve passage" in Forum
te laten vervallen (hij zou "die beeldenstormerij" dan in
de boekuitgave wel weer goedmaken), maar dat was slechts een
tijdelijke zwakte. Toen hij bemerkte dat Gerard Walschap de grootste
aanstichter van de kritiek was – zonder Tsjip te hebben
gelezen – en andere redacteuren helemaal geen principiële
bezwaren hadden, hield hij voet bij stuk. "W[alschap] zit
achter de schermen," zo liet Elsschot aan Greshoff weten, en
Gijsen had hem dat opgebiecht ("avait finalement décidé
de manger le morceau"). "Ik geloof dat dit de eerste maal
is dat Forum het verlangen uitdrukt dat een passage geschrapt wordt,
niet om zijn litteraire minderwaardigheid, maar wel om de wenschen te
voorkomen van eenige katholieken. Het wordt dan ook tijd dat FORUM
zijn pretentieuzen naam verandert, want binnen dat perk zal nooit
meer iets uitgevochten worden."
Een dokter
onderzoekt zijn eigen buik
Het is de vraag of
de "Opdracht" het door Elsschot gewenste effect –
"Tsjip bevattelijker […] maken voor den middelmatigen
lezer" – heeft gehad: in de vele besprekingen van Tsjip
werd er tenminste nauwelijks aandacht aan besteed. Alle waardering
voor de eenvoud en waarachtigheid van het verhaal konden niet
verhinderen dat Elsschot zich onbegrepen bleef voelen, met name omdat
het "l'art pour l'art van Tsjip" aan
sommige recensenten was voorbijgegaan. "Moet dat niet tot
nadenken stemmen?", vroeg hij zich in een brief aan Greshoff
vertwijfeld af. Het onbegrip had Elsschot kennelijk niet alleen tot
nadenken maar ook tot schrijven gestemd, want op 12 november 1934
meldde hij "weer bezig" te zijn: "'t
Wordt iets voor ter Braak, du Perron e.c. Je herinnert je de
inleiding tot Kaas? Iets in dien aard, maar veel langer en naar
aanleiding van Tsjip".10
Twee weken later was de tekst waar Elsschot op doelde, "Achter
de Schermen", af. In de overgeleverde versies ervan is geen
spoor terug te vinden van een verwijzing naar Ter Braak en Du Perron
(Elsschot zou zijn studie zelfs niet aan hen opdragen maar aan Jan
van Nijlen). De tekst vertelt in zekere zin hetzelfde verhaal als de
"Opdracht": de komst van de kleinzoon en het effect
daarvan op de grootvader, waarbij nu expliciet duidelijk wordt dat
die gebeurtenis de aanleiding tot schrijven is: "Ik moet
die beroering boekstaven." Vervolgens wordt zin voor zin
ontrafeld hoe dat "boekstaven" in zijn werk gaat, waarbij
Elsschot de lezer deelgenoot maakt van de meest fijnzinnige
overwegingen die bij de totstandkoming van de uiteindelijke versie
van de "Opdracht" een rol (zouden) hebben gespeeld. Bij de eerste
publicatie in boekvorm, in de tweede druk van Tsjip (1936),
werd "Achter de Schermen" aangeprezen als "een
buitengewoon geestig hoofdstuk, dat een zeer goeden kijk geeft op de
manier waarop Elsschot schrijft." En zo is het sindsdien ook
altijd gelezen, niet in de laatste plaats ook op aangeven van
Elsschot zelf. Hij omschreef zijn tekst plechtig als een "dissertatie
over stijlleer": "Telkens vertrekkend vanuit een vulgaire
dus minderwaardige zin, tracht ik de overwegingen onder woord te
brengen welke geleid hebben tot de betere tekst."11
Meer recht deed hij zijn tekst toen hij de daarin ondernomen
exercitie tegenover een collega-schrijver als volgt relativeerde: "Ik
heb daarin geprobeerd mijn eigen stijl te ontleden. Hebt gij dat ooit
geprobeerd? 't Geeft een gevoel alsof een dokter zijn eigen
buik onderzoekt."12
"Het
manuscript van Tsjip bestaat niet meer"
Eerste pagina kladhandschrift 'Achter de Schermen'Hoe betrouwbaar
"Achter de Schermen" is als ontleding van het
schrijfproces van de "Opdracht" valt niet gemakkelijk te
zeggen. De enige bron die hierover definitief uitsluitsel zou kunnen
geven ontbreekt: het manuscript van de "Opdracht". Heeft
Elsschot het, evenals het manuscript van Tsjip, in stukken
gescheurd toen hij de "Opdracht" had voltooid en
overgetypt? Of heeft hij zich er pas een jaar later van ontdaan toen
hij "Achter de Schermen" had geschreven? Als dat zo is,
dan heeft hij doelbewust willen voorkomen dat iemand de beschrijving
van de feiten ("Achter de Schermen") naast het bewijs
(het manuscript van de "Opdracht") zou kunnen leggen. Aan
de andere kant: waarom heeft Elsschot dan niet ook andere sporen
uitgewist? Van "Achter de Schermen" heeft hij nota bene
zelf het kladhandschrift aan het pas opgerichte Museum der Vlaamsche
Letterkunde (het huidige AMVC-Letterenhuis) gestuurd, op 19 december
1934.13
Dit handschrift blijkt meer prijs te geven dan de maskerende auteur
zou hebben gewild. Al vanaf de eerste pagina valt op hoeveel Elsschot
heeft geschrapt om tot een eerste versie te komen. En dat is vreemd,
want als hij het originele manuscript van de "Opdracht"
nog bezat, dan hoefde hij de tekst toch maar over te schrijven? De
openingszin van de "Opdracht" ziet er bijvoorbeeld in het
manuscript van "Achter de Schermen" als volgt uit:
"Ik kom thuis van de een reis en allen hebben weer gedaan alsof ik en vind alles voor mij gereed staan. Vrouw en kinderen hebben mij gedaan alsof ik niet weg was geweest. Alles stond gereed tegen dat ik binnen zou komen. Zij hebben mij welkom geheeten en mijn vrouw heeft mij mijn souper opgediend". Punt.
De talrijke
doorhalingen lijken erop te wijzen dat Elsschot het schrijfproces
achteraf heeft gereconstrueerd. Eerst stond er: "Ik kom thuis
van de reis." Elsschot schreef dus aanvankelijk de
uiteindelijke versie van de eerste zin. Die veranderde hij met
terugwerkende kracht in een "eerdere" versie door het
bepaalde lidwoord te schrappen en te vervangen door "een"
("Ik kom thuis van een reis") om vervolgens te kunnen
uitleggen waarom hij uiteindelijk voor "de" koos. Die achterwaartse
reconstructie blijkt ook uit het eerste typoscript van de "Opdracht".
Het betreft weliswaar een voltooide versie – het is de tekst
zoals Elsschot die in de loop van mei 1933 aan Jan Greshoff heeft
gestuurd –, maar toch bevat ze een paar interessante varianten,
bijvoorbeeld in de beschrijving van de intrede van de kleinzoon:
Tot ik op dien heilloozen dag dat mormel van een kleinkind in huis
gewaar werd, met zijn gekraai en zijn bloote billen.
In "Achter de
Schermen" wil Elsschot ons doen geloven dat hij eerst
"heerlijke dag" in plaats van "heilloozen dag"
had geschreven, dat hij pas naderhand op "dat mormel van een
kleinkind" is gekomen, en dat hij die kleinzoon – om ook
nog iets te zien te geven – pas in laatste instantie van een
paar blote billen heeft voorzien. Voor het geval de hierboven
geciteerde typoscriptversie dit nog niet voldoende mocht tegenspreken
volgt hier de eerste versie van de passage volgens het handschrift
van "Achter de Schermen", met speciale aandacht voor de
wederom veelzeggende doorhalingen:
[T]ot ik op een hei heerlijken dag dat
mormel die schat van een kleinzoon in huis gewaar
werd, die met zijn gekraai en zijn bloote billen
aan mijn hun dwingelandij een eind heeft gemaakt.
De magie der
"creatie"
In "Achter de
Schermen" is zoals gezegd geen spoor terug te vinden van een
expliciete verwijzing naar "ter Braak en Du Perron", voor
wie Elsschot zijn tekst zou hebben geschreven. De toevoeging "e.c."
("en consorten") doet evenwel vermoeden dat hij met deze
tekst een vermomde kritiek op de groep rond Forum heeft willen
schrijven. Uit de correspondentie blijkt dat Elsschot zich in de
eerste plaats geroepen voelde zich te verdedigen tegenover Ter Braak,
die zijn opvattingen in verschillende recensies en brieven had
geëxpliciteerd. Zijn bespreking van Kaas, onder de
veelzeggende titel "De persoonlijkheid van Willem Elsschot",
strookt volledig met de poëticale principes die hij samen met E.
du Perron en Maurice Roelants had verwoord in de befaamde inleiding
van het eerste nummer van Forum:
Wij kiezen
uitsluitend partij tegen de vergoding van den vorm (de magie der
"creatie", zoals men dat in Nederland noemt, terwijl men
in Vlaanderen van verliteratureluren der kunst heeft gesproken) ten
koste van de creatieven mensch […]. Welke wonderen zich ook
bij het scheppingsproces mogen afspelen: zij schijnen ons dan eerst
van belang, wanneer de persoonlijkheid van den kunstenaar zich voor
ons in zijn werk bevestigt.
Als exponent van de
"vent"-richting mist Ter Braak zowel in Kaas als
Tsjip de figuur van Boorman en daarmee Elsschots "satyre
in grooten stijl": "De preciesheid, het onfeilbare
observatievermogen blijft hetzelfde, maar het onderwerp wordt
“huiselijker”, en dat spijt mij aan den eenen kant, omdat
een schrijver als Elsschot m.i. tot nog gedurfder concepties in staat
is. Als satyre steekt boven deze “huiselijkheid” b.v. uit
de prachtige bekeeringsscène uit “Tsjip”:
Adèle moet als de weerga tot het katholicisme worden
omgeschakeld. Hier haalt Elsschot ook in de dimensies verreweg het
beste van wat hij te zeggen heeft."14
In reactie hierop (in een brief aan Greshoff) uit Elsschot zijn
teleurstelling over het feit dat Ter Braak kennelijk alleen belang
hecht aan het gedeelte "waarin zoo al niet een sociale
strekking, dan toch een phylosophische overtuiging tot uiting komt"
en dat het "l'art pour l'art" van Tsjip
aan hem is voorbijgegaan. En dat raakt in Elsschots ogen de vraag
naar wat de functie van kunst zou moeten zijn:
Moet kunst, in tijden van wording als deze, in tijden van ellende en
verdrukking, […] geen partij kiezen? En moet "l'art
pour l'art" niet tijdelijk begraven worden tot de
worsteling beslecht is, tot voor de massa een tijd is aangebroken
waarin zij aan "l'art pour l'art" iets heeft?
Partij kiezen, zelfs ten koste van het kunstgehalte?15
In plaats van de
strijdbijl te begraven schrijft Elsschot een tekst waar de
huiselijkheid van afdruipt en waarin "de magie der “creatie”"
tot op het bot gefileerd wordt. Voor de goede verstaanders –
Ter Braak en Du Perron voorop – zou duidelijk moeten zijn dat
hij zich niet zomaar als "vent" voor de kar van Forum
wilde laten spannen.
"De
spijsvertering der ideeën"
Ter Braak zou
Elsschot zelfs wel eens op het idee voor "Achter de Schermen"
gebracht kunnen hebben. Met name de voorpublicatie in Forum
van het eerste hoofdstuk van Politicus zonder partij bevat een
aantal prikkelende uitspraken over "het schrijverschap",
waarop "Achter de Schermen" een min of meer rechtstreekse
reactie lijkt te geven.16
In de allereerste plaats stelt Ter Braak dat schrijven geen "vak"
meer is zoals de schilderkunst of de muziek, omdat "ons
uitdrukkingsmiddel" algemeen toegankelijk is geworden: "wij
hebben geen schildersacademie bezocht, geen contrapunt gestudeerd,
wij hebben ons zelfs niet in bochten gewrongen als onze beste
afnemers, de acteurs, kortom, wij zijn eigenlijk zonder techniek".
Vervolgens veegt hij de vloer aan met schrijvers die zich tóch
achter hun "woordkunst" en "taalmagie"
verschuilen en wier "armoede van geest […] door het
accent van de zingende zaag moet worden goedgemaakt". Ter
compensatie stellen deze schrijvers alles in het werk om toch de
schijn hoog te blijven houden:
Elsschots werkkamer aan de Lemméstraat
Het schrijversatelier wordt gefingeerd, telkens en overal
weer; het moet den lezer worden gesuggereerd, en met des te
overtuigender hypnotische gebaren, omdat het de gedaante heeft van
een ordinaire leeken-schrijftafel! Weg met die ordinaire tafel, dat
verraderlijke allemansvloeiblad, dat potje Parker Dufold kantoorinkt!
Natuurlijk erkent
Ter Braak dat onder het schrijven "honderden varianten"
opduiken, dat "gesluierde beelden" zich kunnen
verscherpen, dat een schrijver "poging op poging" waagt
om de juiste toon te vinden, maar hij verzet zich tegen schrijvers
die koketteren met "de vlijt en het mysterie van het “vak”".
Hij wantrouwt ook "meesterwerken" die met de "schijn
van olympische verhevenheid en objectiviteit de ordinaire
schrijftafel verlaten". Hij wil "een genie zien bewegen
– bewegen achter den starren volledigheidsschijn, dien het ons
heeft voorgetooverd in zijn meesterwerken; ik aanvaard niemands
groote en schoone woorden, voor ik hem duidelijk gebogen heb zien
zitten over zijn schrijftafel, schrijvend aan zijn verkapte
mémoires." Zijn voorkeur voor mémoires verklaart
hij vervolgens aan de hand van een opmerkelijk plastische metafoor:
Ik
zoek de mémoires op, omdat ik de spijsvertering der ideeën
wil zien onder de schijnsolide, glanzende opperhuid van het werk,
omdat het werk altijd meer verbergt dan het onthult, wanneer men het
neemt als werk en niet als masker. Ik geef daarom de voorkeur aan
boeken, die de sporen van het onvolledige en aanvankelijke durven
dragen, en aan schrijvers, die zich sterk genoeg gevoelen om den
schijn van harmonie en objectiviteit opzettelijk te vermijden. Het is
verrukkelijk, de spijsvertering oprecht te hooren werken, de
omzetting mee te maken, als invité (en niet als spion!)
aanwezig te zijn bij een zoo weinig officieel schouwspel[.]17
Ook de drang tot
schrijven is een prominent thema in het eerste hoofdstuk van
Politicus zonder partij. Opnieuw verwijst Ter Braak naar
lichamelijke processen wanneer hij zich hardop afvraagt:
Moet er weer een boek ontstaan?
Moet er aan de "productie" weer een exemplaar worden
toegevoegd? Is het dan niet mogelijk afstand te doen van den
schrijfdrang en een eerzaam burger te worden met hen, die brieven
schrijven? Wat "eerzaam"! men behoeft niet eens eerzaam
te worden, wanneer men leeft zonder schriftelijke stofwisseling, men
kan dan zelfs royaal en zwijgend het zijne denken van de eerzame
auteurs van het vak!...
Wat de reden is om
tóch te gaan schrijven, illustreert Ter Braak met een
voorbeeld dat Elsschot moet hebben geraakt. Wanneer een "bijzonder
dom mensch met een vooroordeel als een kropgezwel (b.v. het l'art
pour l'art of de evolutie) mij in de onschuld van zijn
gemoed een uiteenzetting aanbiedt van zijn levensbeschouwing"
is hij aanvankelijk geneigd deze "domheid" toe te lachen
als een "oude scepticus", tot hij toch besluit zijn
ideeën onder woorden te blijven brengen, "met de
begripswellust van philosophen en het anecdotisch pleizier van
romanschrijvers, alsof ik mijn plaats in de gelederen der vaklieden
weer goedsmoeds had ingenomen[.]"
"More
brains"
Wie jaargang 1934
van Forum doorbladert, komt de door Ter Braak aangesneden
kwesties in verschillende gedaanten tegen. Zo blijkt de tegenstelling
schrijver-burgerman – die ook in de "Opdracht" al
prominent aanwezig is – een favoriet onderwerp, bijvoorbeeld
bij Gerard Walschap:
Alle kunstenaars voelen zich chronisch als ratés. Telkens als
zij ophouden met schrijven, transsubstantieeren zij zich onbewust
weer in het vulgaire burgermannetje, dat zij immers evenzeer als
anderen zijn en loeren ontzet en argwanend naar wat zij daar weer
eens gelapt hebben. Gelijk een eerbaar huisvader, thuisgekomen in een
staat van complete dronkenschap, die hem onnoozel-weg had beslopen,
nooit meer gerust te stellen is over wat hij wel mag geluld hebben in
presentie van zijne minderjarigen, blijven zij ongerust over hun
geschrijf. Zij consulteeren hun beredeneerde kunstopvattingen,
mitsgaders hun geweten en stellen vast dat zij al schrijvend er
eigenlijk andere opvattingen op nahielden. Waren de graphologische
bewijzen niet absoluut en afdoend, zij zouden de schuld op een
vreemde schuiven. Daarbij genoten zij bij 't schrijven van een
luciditeit, die alles zoo enkelvoudig, vanzelfsprekend en
onbetwijfelbaar maakte, dat het hun in nuchteren toestand van
gecompliceerde, sceptisch aangelegde intellectueeltjes, zeer
verontrust. Aan artistiekerigheid en inspiratie wenschen zij dat de
"leek" intens zal blijven gelooven, maar zij zelf houden
het er voor dat ijver, werkzaamheid, een lamp, een pijp en solied
vakmanschap, meer waard zijn dan een koppel muzen. Vandaar chronische
ongerustheid, gevoelsbevliegingen dat alles mislukt is, een
ongeneeslijke hypochondrie, die waarlijk den stiel bederft.
Uit zijn brieven
blijkt dat Elsschot Forum met bijzondere belangstelling
volgde, met een mengeling van verwondering ("Wie is Freud
waar in Forum zoo dikwijls over gesproken wordt?")18
en kritiek, met name op wat er bij voortduring gedelibereerd werd
over zijn geliefde l'art pour l'art. Tegen deze
achtergrond vallen enkele passages in "Achter de Schermen"
extra op. Met name de scène waarin de auteur twijfelt welke
gerechten hij de vrouw des huizes zal laten opdienen, is opvallend
uitvoerig. De keuze voor haring is snel gemaakt, maar "om de
keus mogelijk en de vraag logisch te maken" moeten er nog meer
"kandidaten aantreden". In de eerste versie duurt de
afweging tussen nieren, hersenen en lever maar een vijftal regels,
maar in een later stadium (op een apart toegevoegde pagina) heeft
Elsschot de passage uitgebreid, waarbij hij de te maken keuzes van de
volgende motiveringen voorziet:
Neen, geen nieren. Grooter, hooger op! […] Wie
is die bleeke daar, met zijn krulhaar?
– Hersens".
Walglijk genoeg. Maar de regisseur
vind[t] het ongewoon op een huiselijke tafel. Meer iets voor een
restaurant. En die dikke, die door
zijn knieën zakt?
– Lever".
Ja, lever is goed. Lever van een oud
beest, als die te krijgen is.
In de context van
"dit litterair landschap", dat een bladzijde verder ter
sprake komt, zou dit fragment een knipoog kunnen zijn, niet alleen
naar de "spijsvertering" en de "stofwisseling"
van Ter Braak, maar ook naar de herhaaldelijk in Forum gedane
oproep om "more brains" in de literatuur. De oproep is
ontleend aan een toespraak van August Vermeylen uit 1927 ("More
brains! In 's hemelsnaam meer hersens!"). Met name de
Vlaamse literatuur bracht anno 1934 nog de "misselijkste
producten" aan folklorisme, stijlziekte en woordkunst voort,
aldus Raymond Herreman. Ook bij andere Forum-auteurs stond de
ratio hoger aangeschreven dan het gevoel. "Ik geloof dat de
komende generatie teveel met het hoofd schrijft en leest, te weinig
met het hart. Misschien zijn hun hoofden voller dan de onze, hun
harten minder gevuld?", aldus de algemene reactie van Elsschot
op dit verschijnsel. Hij voelde niets voor de "diepzinnigheid"
en "filozofie" die van hem verwacht werd, en dus
"kan ik die niet geven. Misschien ben ik niet meer van mijn
tijd […]."19
"Aan Jan
van Nijlen"
Met het gevoel niet
meer van zijn tijd te zijn – of, anders gezegd, buiten de
literaire feestzaal te vallen – kan Elsschot zich hebben
herkend in zijn vriend Jan van Nijlen, en wellicht is dat een van de
redenen geweest om "Achter de Schermen" aan hem op te
dragen. Ook hier zou Forum hem wel eens op het idee gebracht
kunnen hebben. In de oktober-aflevering van 1934 werd namelijk een
portret van de vijftigjarige "ambtenaar-dichter"
gepubliceerd, van de hand van Greshoff, waarin Van Nijlen wordt
neergezet als iemand die zich volledig afzijdig houdt van de
literaire orde:
Jan van Nijlen heeft nooit concessies gedaan. Hij heeft nooit iemand
nageloopen. Hij heeft nooit iets gevraagd. Zijn reputatie laat hem
steenkoud en het geld heeft niet den minsten invloed op hem. Hij
schrijft eenvoudig omdat hij het niet laten kan en dus voor zijn
plezier. Hij doet het met zorg en toewijding, maar hij laat er zich
nimmer op voorstaan, omdat hij tot in het diepst van zijn ziel
doordrongen is van de betrekkelijkheid der dingen.
Hoewel deze
afwijzende houding hem volgens Greshoff van het grote publiek
vervreemd had, heeft Van Nijlen nooit geleden onder de miskenning
door zijn "tijdgenoten": "Hij heeft altijd de
stilte gezocht en verheugde zich dus slechts om de stilte om hem
heen." 'Aan litteratuur doe ik voorloopig niet meer' Na alle gedoe rond
Tsjip zocht ook Willem Elsschot de stilte op. "Aan
litteratuur doe ik voorloopig niet meer. Ik ben namelijk aan het
visschen geraakt", schrijft hij in een brief aan Greshoff.
"Indien jij soms in de buurt van Antwerpen iemand met een
vijver kent, dan houd ik mij voor introductie aanbevolen."
Evenals Van Nijlen zou echter Elsschot het schrijven niet kunnen
laten, hoezeer hij er zelf ook steeds – "zoals telkens"
– van overtuigd was "dat dit mijn laatste geschrijf zal
zijn". Maar daarvoor was de lokroep uit "gindsche land"
toch regelmatig te sterk of de "beroering" te geweldig:
Na zekeren tijd ontstaat een innerlijke leegte die zich uit in
zenuwachtigheid, ontevredenheid, doelloosheid, onrechtvaardigheid
jegens die mij omringen. Onbewust ga ik doen alsof zij schuld hadden
aan mijn niet-schrijven. Ik begin het leven nutteloos te vinden
zoodat ik, in alle oprechtheid, soms naar den dood verlang. […]
Tot ik mij eindelijk weer aan 't schrijven zet. Dat schrijven
vervangt het geloof waaraan het mij totaal ontbreekt. Dan is het
gedaan met die zwartgalligheid, mijn gezin slaakt een zucht van
verlichting. Ik ben tevreden, zou alle dagen bloemen meebrengen voor
mijn vrouw, of voor andere vrouwen, geef breede fooien en aalmoezen.
Ik verbeeld mij dat dit sentiment niet zeer verschillend kan zijn van
de vreugde die b.v. een goede timmerman gevoelen moet wanneer hij, na
jaren gedwongen werkloosheid, eindelijk weer hout en een schaafbank
krijgt.20
"Nu nog wat
schmink"
In "Achter de
Schermen" heeft Elsschot zijn werkplaats naar het toneel
overgebracht. Het idee hiervoor is pas geleidelijk aan gekomen.
Aanvankelijk was de tekst vrijwel geheel geschreven vanuit het
perspectief van een auteur die zich bekommert om het effect van zijn
"boek" op "de lezer", pas in tweede instantie
kwam Elsschot op de theatrale setting, compleet met een "scène",
een "regisseur" en "het publiek". De eerste
verwijzingen naar het theater verschijnen pas vanaf p. 11 in het
manuscript, met de veelzeggende frase: "'t Is hier ten
slotte toch maar een schouwburg." Maar zodra Elsschot die
metafoor had gevonden, werkte hij ze helemaal uit: "Nu nog wat
schmink, want zoo staat die leugen daar toch te naakt." Ook het
typoscript smukte hij flink op om in plaats van "de lezers"
vanaf nu "de toeschouwers te epateeren als de boeren op de
kermis met een kind zonder hoofd". De "regisseur"
krijgt een prominente dubbelrol toebedeeld, als iemand aan wie advies
gevraagd kan worden ("Zou ik niet liever vragend vertellen,
regisseur?") maar ook als iemand die zich hinderlijk met "het
stuk" bemoeit ("Nu vindt die regisseur weer…").
Wanneer "dat mormel van een kleinzoon" ten tonele
verschijnt en daarmee de handeling in gang zet, is het uitgerekend
ook de regisseur die zich afvraagt hoe dat kind hem dat "gelapt"
kan hebben. Juist op dat moment snoert de ik-figuur hem de mond:
"Eenvoudig genoeg, regisseur, want terwijl ik schrijf hoor ik
zijn gekraai onder de tafel."
Deze ik-figuur ten slotte blijft de meest raadselachtige figuur op
het toneel. De lagen schmink worden dikker en dikker om zijn
identiteit te verbergen. In het manuscript wordt hij afwisselend
aangesproken als "Laarmans", "Elsschot",
"vader" of "man" en lijkt hij personage,
schrijver en burgerman inéén. In het typoscript
verdwijnt de naamsverwarring, maar niet de verwarrende rolverdeling.
Voortdurend wordt "het publiek" op het verkeerde been
gezet: "Net of ik verdwaasd op het toneel verschijn, de hand
aan het hoofd, als een Hamletje." De "ik" vertoont
zich echter niet alleen "als een Hamletje" maar ook als
een bedreven Shakespeare. Daarmee trekt hij een scherm op dat grote
delen aan het zicht onttrekt ("een scherm dat voor de waarheid
staat", zoals het in het manuscript luidt), maar duidelijk is
wel: achter het stilistische geweten dat de schrijver-ik in "Achter
de Schermen" gefingeerd laat spreken, gaat óók de
grijns van de satiricus schuil.21
Noten 1
De hier geciteerde uitspraken zijn ontleend aan Vic van de Reijt,
"Interviews met Willem Elsschot. “Als je door de muze
gebeten wordt, vloeit het zo wel uit de pen”." In: Het
oog in 't zeil 1 (1983), afl. 2, p. 1-6, behalve de
eerste, die afkomstig is uit een brief uit 1940, zie Willem
Elsschot, Brieven. Bezorgd door Vic van de Reijt m.m.v.
Lidewijde Paris. Amsterdam, 1993, p. 388 (in het vervolg aangehaald
als Brieven). 2
Brieven, p. 102. 3
Brief aan Menno ter Braak, 20 april 1934 (Brieven, p. 179). 4
Brief aan Jan Greshoff, 20 april 1934 (Brieven, p. 180). 5
Ongedateerde brief aan Greshoff, [± mei 1934] (Brieven,
p. 186). Er is geen reactie van Greshoff (of Ter Braak) op de
"Inleiding" overgeleverd. 6
Lut Missinne, "De Vlamingen in Forum: een misverstand."
In: Elke Brems e.a. (red.), Van "Hooger Leven" tot
"De Vlag". Literatuuropvattingen in Vlaanderen
(1920-1940). Leuven, 1999, p. 87-100 (het citaat op p. 97). Zie
ook Koen Rymenants, Een hoopje vuil in de feestzaal. Facetten van
het proza van Willem Elsschot. Diss. Leuven, 2004, p. 294. 7
Zie Brieven, p. 137 en p. 140. De hiernavolgende kwesties
komen uitgebreider aan bod in Willem Elsschot, Tsjip/De
Leeuwentemmer. Bezorgd door Peter de Bruijn, m.m.v. Wieneke 't
Hoen en Lily Hunter. Amsterdam, 2003 (Volledig werk 6), p.
202-205 (in het vervolg aangehaald als VW 6). Met ingang van de
derde jaargang (1934) werd de redactie van Forum gesplitst in
een Nederlandse en een Vlaamse afdeling. Marnix Gijsen vormde samen
met Raymond Herreman, Maurice Roelants en Gerard Walschap de Vlaamse
redactie. 8
Brieven, p. 124. 9
Brief, 15 februari 1934 (Leen Van Dijck, "Onbevlekt ontvangen.
Elsschot-aanwinsten in het AMVC." In: De parelduiker 6
(2001), p. 162-171). De hierna geciteerde brieven zijn te vinden in
Brieven, p. 160-170. 10
Brieven, p. 194. Zie ook VW 6, p. 216-218. 11
Brieven, p. 693. 12
Brieven, p. 243. 13
Brieven, p. 204. 14
M[enno] t[er] B[raak], "Vertelkunst van Willem Elsschot".
In: Het vaderland 6 november 1934, avondblad.
15
Brief, 28 november 1934 (Brieven, p. 195). 16
Menno ter Braak, "Een Schrijver na zijn Dertigste Jaar".
In: Forum 2 (1933), afl. 12, p. 841-861 (de volledige tekst
van deze en andere hierna geciteerde bijdragen uit Forum is
te raadplegen via www.dbnl.org).
Politicus zonder partij verscheen in april 1934 in boekvorm. 17
In vervolg hierop haalt Ter Braak de vergelijking tussen schrijvers
en toneelspelers van stal. Schrijvers tonen niet hun werkelijke
gezicht, maar een "soms alleszins geslaagd" masker en
zijn daardoor "tot in hun eerlijkheid toneelspelers […]
geworden". In dit verband is de geleidelijke introductie van
de toneelmetaforiek in "Achter de Schermen" relevant. 18
Brieven, p. 183. 19
Brieven, p. 180. 20
Brieven, p. 388. 21
Voor een bespreking van de genese van "Achter de Schermen"
en de manier waarop Elsschot in de coulissen van het literaire
toneel laat kijken, zie ook Dirk Van Hulle, De kladbewaarders.
Nijmegen, 2007.
Fotoverantwoording Foto 1, 2 en 5: Collectie erven Elsschot
Foto 3: Collectie Letterkundig Museum, Den Haag
Foto 4 en 6: Collectie AMVC-Letterenhuis, Antwerpen |